Het Eiland Nias

Ya'ahowu (het niha woord voor welkom)

Cultuur

Nias is een klein eiland van 130 km bij 45 km en ligt 125 kilometer uit de westkust van Sumatra. Nias telt meer dan 650.000 inwoners, die over 657 grote en kleine plaatsen verspreid wonen. De Niassers spreken een eigen taal, het Nias. De bewoners leven van het land (boeren) en de varkensteelt om zichzelf en om hun sociaal-politieke en creatieve activiteiten in stand te houden. Niassers kweken bananen, kokosnoten, fruitdragende bomen en andere bomen voor hout en medicijnen. Rijst wordt slechts door een klein aantal mensen verbouwt omdat de rijstbouw risicovol is. Gewassen die zij verbouwen en kunnen vermarkten zijn kopra en nilam (grondstof voor parfumindustrie). De verschillen tussen het noorden, midden en zuiden van Nias zijn groot. Elke streek op zich is weer onderverdeeld in talloze groepen/dorpen, op basis van verwantschap. Voor de mensen op Nias wordt de cultuur bepaald op dorpsniveau.



Kenmerkend voor Nias

Wanneer Niassers het over hun cultuur hebben, dan praten zij over de traditionele huizen, de megalieten, de gouden voorwerpen en graven met speciale ornamenten en de voorouders. Bij de in heel Indonesië bekende voorouderverering staat de relatie tussen de levende mensen en hun overleden voorouders centraal. Het is voor de levenden zaak de doden gunstig te stemmen, en zo te voorkomen dat onheil de gemeenschap treft. De overledenen zijn de bewakers van de adat (traditie), en grijpen in als deze niet gerespecteerd wordt. Wanneer buitenstaanders vertellen over Nias dan praten zij over de architectuur van de huizen, de megalieten en het steenspringen. In de dorpen wordt de aandacht direct getrokken door de grote traditionele huizen en de stenen monumenten in allerlei vormen. De dorpen verrassen door hun geplaveide straten en huizen met oplopende zadeldaken. Naast de bijzondere huizen met enorme zadeldaken zijn in veel dorpen talloze megalieten te zien met een rijke variatie aan vormen. De huidige bewoners voelen nog steeds een enorme trots voor deze massieve constructies. Ouderen herinneren zich nog de grote varkensfeesten die het bouwen van huizen en oprichten van megalieten begeleiden. In het zuiden zijn veel dorpen gebouwd op heuvels. Zij zijn te bereiken door trappen te beklimmen of door rivieren over te steken. De dorpen werden op onbereikbare plaatsen gebouwd als verdedigingsmaatregel omdat in vroege tijden de dorpen vijandig tegenover elkaar stonden en elkaar aanvielen.

Varkens

Varkens hebben een grote sociale en rituele betekenis voor de Niasser en zijn een graadmeter voor de rijkdom van een familie. Varkens worden gebruikt als middel om transacties te sluiten, bruidsprijzen te betalen, boeten en schulden te betalen, conflicten bij te leggen en belangrijke rituelen te vieren. Niassers geven aan varkensvlees een symbolische betekenis. Varkens zijn een middel om respect en gastvrijheid te tonen. Dat is de reden voor Niassers om varkens te houden. Het geven van feesten en aanbieden van varkensvlees vergroot het prestige van de gastheer. Het geven van feesten en aanbieden van varkensvlees bevestigt de relaties tussen mensen en tussen de mensen en de voorouders.

Steenspringen

De Fahombo, het steenspringen, is een kenmerkende activiteit van kleine groep jonge Niassers. Jonge mannen springen hierbij over een twee meter hoge en een aan de bovenkant halve meter brede stenen piramide. De mannen zetten zich na de aanloop op een steen voor de piramide af. Met deze gevaarlijke sprong bewezen jonge mannen in vroegere tijden hun geschiktheid voor de strijd. Het was de voorbereiding op bestormingen van een vijandig dorp, waarbij de aanvallers met een zwaard in de hand over de bamboeversterkingen moesten kunnen springen om direct te kunnen vechten. Wanneer een jongen in staat was over de steen te springen, werd hij in de krijgers gemeenschap opgenomen.

Dansen

De Maluaya Baluse is een krijgsdans, uitgevoerd door mannen in volledige wapenuitrusting. De mannen dragen de kalabubu: ronde zwarte halsring die het koppensnellen bemoeilijkte. De Tuloto is een krijgsdans waarbij de krijgers enorme sprongen maken en deelnemen aan rituele oorlogsvoering. De Manari Mojo is een dans die door meisjes of vrouwen uitgevoerd wordt en die de vlucht van een vogel nabootst.

Geschiedenis

De mensen op Nias noemen zich Ono Niha. Dat betekent zoveel als de kinderen van de mensen. Een verwijzing naar de stamvaders en de voorouders. Niassers geloven dat hun voorouders afkomstig zijn van Centraal Nias, uit Gomo. In Gomo daalden de goden af en verwekten de mensen. Dit geloof in een gemeenschappelijke voorouder in het verleden is een belangrijke bron voor de gedeelde Nias identiteit. Voorouderverering was wijdverbreid tot in het begin van de twintigste eeuw toen het merendeel van de bevolking werd gekerstend.

In 1811 werd door het Nederlandse gouvernement over Nias geschreven. Er werd bericht dat het eiland in 50 oeri (dorpsdistricten) was opgedeeld die onderling vaak slaags waren. Na een oorlog tussen de oeri's werden krijgsgevangenen als slaven verkocht. Meestal werden de slaven in ruil voor goud, parels, tabak en ijzer aangeboden. In 1863 ging het eiland officieel deel uitmaken van Nederlands-Indie. In 1865 arriveerden de eerste missionarissen op het eiland. Vanaf 1850 zijn er pogingen gedaan om het eiland te kerstenen, maar die hadden weinig succes. De komst van de Rheinische Mission bracht daar een grote verandering in. Rond 1910 was een groot deel van de Niassers gekerstend. Vanaf 1909 werd in het zuiden van Nias op grote schaal religieuze kunst vernietigd of in beslag genomen. Koppensnellen kwam op het eiland tot ver in onze eeuw voor. Dat dit nu niet meer het geval is, is hoofdzakelijk te danken aan de Rheinische Mission.

Sociale structuur

De Nias samenleving was strikt hiërarchisch. Tot op de dag van vandaag vinden we in de dorpen elementen van deze hiërarchische structuur terug. De Nias samenleving bestond uit drie verschillende klassen: de adel, het gewone volk en de slaven. De adel (si'ulu) trouwde niet met de burgers (sato). De adel genoot bepaalde en bijzondere privileges. De adel eiste het exclusieve recht op gouden sieraden te dragen en bepaalde vormen, ontwerpen en kleuren in stof en sieraad. Si'ulu betekent letterlijk 'dat wat hoog is', een verwijzing naar hun hoge sociale positie. De Si'ulu zaten op de hoogste stenen en bewoonden de grootste huizen in het hart van het dorp. Sato betekent 'uit duizenden'. Naast de si'ulu en de sato vormden de slaven (sawuyu) de derde, ondergeschikte klasse in de samenleving. Men beschouwde de slaven als niet-mensen. Zij moesten buiten het dorp wonen en werden gebruikt als bedienden en als ruilwaar. Slaven zijn niet meer te vinden in de dorpen. Maar de si'ulu en de sato spelen nog steeds een belangrijke rol. Zonder deze twee klassen is er geen sociale orde. Beslissingen worden samen genomen in een formele vergadering (de orahu). Elk besluit moet zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met de voorschriften van de voorouders (de hada). Onder de sato is een aantal, dat een bijzondere positie genieten. Zij worden 'hij die weet' (si'ila) genoemd. Zij worden gerespecteerd vanwege hun wijsheid en kennis van de adat en treden op als adviseur en bemiddelaar bij conflicten. De vader van Menyerah Bulölö (van stichting Howu-Howu) is een si'ila.

Problemen

Nias heeft een slechte infrastructuur: een slecht wegdek waardoor veel districten en dorpen slecht te bereiken zijn. Verder laat de waterhuishouding en de elektriciteitsvoorziening te wensen over. Het vliegveldje is na het natuurgeweld in 2005 weer in gebruik genomen. Er zijn bijna dagelijks vluchten van en naar Medan. Nias heeft een redelijk grote haven in het noorden bij G. Sitoli en een kleinere haven in het zuiden bij Telukdalam.

Er zijn nauwelijks voorzieningen op medisch gebied. In G. Sitoli is een ziekenhuis dat slecht geoutilleerd is. Al snel zijn mensen aangewezen op de ziekenhuizen in Medan of Padang voor medische zorg. Voor de meeste mensen die op Nias wonen is dat vanwege de kosten die dat met zich meebrengt niet mogelijk. De puskesmas (eenvoudige hospitaaltjes) en de posyando (postnatale zorg) is behalve in de steden (G. Sitoli en Telukdalam) verder niet op Nias terug te vinden. Vaccinatieprogramma's worden niet uitgevoerd. Mensen moeten zichzelf melden en geld meebrengen voor de inentingen. Er wordt niets of nauwelijks iets gedaan aan gezondheidsvoorlichting. Malaria, chronische malaria komen vrij veel voor. Programma's om de bewoners te wijzen op de risico's en hoe preventieve maatregelen te nemen zijn er niet. Na de tsunami heeft Surfaid International in een aantal gebieden op Nias die taak op zich genomen. Op dit moment is er geen aandacht meer voor. In de activiteiten van Howu-Howu is aandacht voor dit probleem.

Op Nias zijn vrij veel scholen. Vooral scholen voor het basisonderwijs. Kinderen gaan voor het eerst op 6-jarige leeftijd naar school. Er zijn zeker in de wat meer dicht bevolkte gebieden ook scholen te vinden voor het voortgezet onderwijs (SMA en SMP). Voor universitair en beroepsonderwijs moet men naar het vasteland van Sumatra. De kwaliteit van het onderwijs is slecht en dat heeft onder andere te maken met het ontbreken van leermiddelen. Leraarkrachten krijgen maar een karig loontje. Uitzondering hierop vormen de scholen van het christelijk onderwijs. Deze scholen zijn voor hun middelen niet uitsluitend aangewezen op geld van de (lokale) overheid. Veel Niassers hebben problemen om het hoofd boven water te houden. Zeker nu na het natuurgeweld veel mensen hun middel van bestaan zijn kwijtgeraakt. Dit heeft direct zijn weerslag op de kinderen. De ouders hebben geen geld voor schoolgeld (onderwijs is niet gratis), schooluniformen, schoolspullen en schoenen. Meer dan 350 kinderen op Nias gaan met steun van Howu-Howu naar school. Verder helpt Howu-Howu scholen om aan leermiddelen te komen.

Nias is het armste gebied van de provincie waar het toebehoort, Noord Sumatra. De situatie is de laatste jaren alleen maar verder verslechterd. De voedselsituatie is in sommige gebieden erbarmelijk slecht. Er zijn kinderen die grootgebracht worden op gekookte bananen. Veel kinderen zijn ondervoed en/of zijn chronisch ziek. Wanneer kinderen verzwakt zijn is de kans dat zij langer dan vijf jaar leven een stuk kleiner. Malaria, mazzelen, tuberculose, etc vormen een bedreiging voor de overlevingskansen.

Hoe kun je op Nias komen?

Nias ligt ver van de bewoonde wereld. Sinds 2005 zijn er via Medan weer dagelijks vluchten op Nias. De andere mogelijkheid is over zee. Vanuit de haven van Sibolga vertrekken er dagelijks boten naar het noorden en een paar keer per week boten naar het zuiden. Een keer in de drie weken doet het schip "De Lawit" van de Pelni lijn Nias aan. De boottocht naar het noorden duurt 10 uur en naar het zuiden 12-14 uur. "De Lawit" vaart van Nias naar de haven van Padang.